Als publiek schoof je wat ongemakkkelijk heen en weer, omdat het stuk op een subtiele manier zien hoe de postbode alles over zichzelf afriep. Al zijn angsten en getwijfel leidden ertoe dat hij bibberend alles over zich heen liet komen, hooguit ‘ja maar...’ piepte, waar natuurlijk met gemak overheen gewalst werd.
Toen hij heel even z’n geluk gevonden leek te hebben – dansend met een zwerfster – werd ook dat bruut verstoord door de proleet, die hem kwam vertellen dat z’n moeder dood was en toen z’n zwerfster afpikte, alweer precies waar hij bang voor was. Dat werd hem echt teveel en uit woede stak hij de proleet neer, die vervolgens stierf in de armen van de vrouw, waar de postbode net verliefd op was geworden.
Na afloop evalueerden we het hele drama met de vriend die deze hoofdrol vertolkt had. Hij zei: ‘Misschien was niets echt, misschien was hij zelfs wel geen postbode. Je zag wat er in zijn hoofd gebeurde, z’n dromen en z’n angsten. En z’n dromen werden verstoord door z’n angsten, want het mocht niet leuk zijn, als hij even gelukkig was, zou dat wel niet lang duren.’
En dat was de moraal van dit verhaal: Wij helpen onze eigen dromen om zeep.
Toen ik buiten kwam en de heldere sterrenhemel aanschouwde, maakte zich ineens een vrolijk besef van mij meester: Stel je voor, het hele leven is een spel! Spelen we dan wel de hoofdrol in ons eigen verhaal?
groenpluche.blogspot.com








